Natuurwaardenonderzoek buitengebied

Bij het opstellen of actualiseren van een bestemmingsplan of een structuurvisie, dient rekening te worden gehouden met de effecten van dat plan of die visie op onder meer bestaande natuurwaarden (artikel 3.1.6 van het Bro). Dat geldt vooral bij planvorming voor het buitengebied. Er moet, voorafgaand aan het opstellen van het plan of de visie, rekening worden gehouden met de bepalingen uit de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. In dat verband is het wenselijk om een zogenaamd natuurwaardenonderzoek uit te voeren naar effecten op de aanwezige natuurwaarden. Het gaat daarbij om zowel de soortenbescherming als de gebiedsbescherming.

Doel
Het doel is om vast te stellen welke soorten en gebieden in het plangebied aanwezig zijn en op welke wijze hiermee rekening moet worden gehouden bij het voeren van ruimtelijk beleid, in het kader van bijvoorbeeld het bestemmingsplan buitengebied. Een natuurwaardenonderzoek van het buitengebied is in essentie gelijk aan een natuurwaardenonderzoek voor ieder willekeurig plan; het bestaat uit gebieds- en soortenonderzoek. Een natuurwaardenonderzoek van het buitengebied verdient evenwel een bijzondere benadering. Een bestemmingsplan of structuurvisie voor het buitengebied betreft vaak een omvangrijk plangebied, met een grote verscheidenheid aan functies, zoals wonen, agrarisch gebruik en natuur. Het voor dit gebied geheel napluizen van alle effecten op bestaande planten- en diersoorten vergt een grote en kostbare inspanning. Omdat bestemmingsplannen en structuurvisies een geldigheidsduur van tien jaar hebben, is het wenselijk dat het resultaat van het natuurwaardenonderzoek eveneens tien jaar mee kan. Regulier natuurwaardenonderzoek blijft slechts drie tot vijf jaar geldig. Daarom heeft BügelHajema Adviseurs voor met name het soortenonderzoek een specifieke methode ontwikkeld onder de naam ‘ecostructuurmethode’. Het resultaat van het soortenonderzoek volgens de ecostructuurmethode is wél tien jaar geldig. In het navolgende leggen wij uit hoe dat werkt.

Hoe werkt ons natuurwaardenonderzoek?
Bij het natuurwaardenonderzoek zoals ons bureau dat uitvoert, wordt onderzoek naar zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming uitgevoerd en een vertaalslag naar het bestemmingsplan of de structuurvisie gemaakt. Wij doen dat als volgt.

Gebiedsbescherming
In het kader van de gebiedsbescherming worden alle natuurgebieden, waaronder de gebieden behorende tot Natura 2000 en de Ecologische Hoofdstructuur, binnen en rondom het plangebied in kaart gebracht. De gevoeligheden en externe werking van deze gebieden in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen worden geïnventariseerd, waarna de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan of de structuurvisie in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 wordt toegelicht.

Soortenbescherming
Het onderzoek ten behoeve van de Flora- en faunawet wordt uitgevoerd middels de ecostructuurmethode. Hierbij worden verspreidingsgegevens van beschermde soorten en kennis van het leefgebied van deze soorten gekoppeld aan (ecologisch van belang zijnde) landschappelijke elementen in het plangebied. Daarbij gaan wij als volgt te werk:

  • Ons bureau brengt de gebieden in kaart die voor de beschermde soorten van belang kunnen zijn. Wij maken daarbij stippenkaarten op basis van beschikbare literatuur, waarbij per soort de verspreiding in het plangebied wordt vastgelegd.
  • Om een goed beeld te krijgen van de natuurwaarden in het buitengebied en om de landschappelijke elementen die ecologisch van belang zijn in kaart te brengen, wordt een verkennend veldbezoek gedaan. Vervolgens maken wij een kansenkaart, waarop ecostructuurzones worden weergegeven. Binnen deze ecostructuurzones is de kans op het aantreffen van beschermde soorten groot. In deze kansenkaart wordt rekening gehouden met toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen en verspreidingsmogelijkheden van soorten, waardoor deze kaart een betrouwbaar beeld geeft voor de komende tien jaar. Daarbij houden wij dus rekening met het te voeren beleid. Binnen de ecostructuurzones kan, afhankelijk van het beleid, onderscheid worden gemaakt tussen verschillende soortengroepen. Ruimtelijke ingrepen kunnen verschillende effecten hebben voor verschillende soortengroepen. Verbouwingen aan daken hebben bijvoorbeeld alleen effect op vleermuizen en vogels, terwijl het vergraven van watergangen mogelijk alleen effect heeft op amfibieën en vissen.


Uitwerking in bestemmingsplan of structuurvisie
Als laatste wordt een vertaalslag van de ecostructuurkaart naar het bestemmingsplan gemaakt. Hierbij wordt toegelicht waar kansen of knelpunten met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen liggen en hoe deze in het bestemmingsplan kunnen worden beschermd. Aan de hand van deze kaart kan dus snel worden afgelezen of en waar in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet zonder problemen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden, geen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden, dan wel onder voorwaarden ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Voor de betrokken gemeente is het daarmee een bijzonder handig instrument: enerzijds kunnen risico’s er goed mee worden ingeschat, terwijl anderzijds niet voor iedere ingreep een natuurwaardenonderzoek behoeft te worden uitgevoerd. Bij het opstellen van een toekomstbestendig ontwikkelingsplan hoort een verantwoorde omgang met de natuurlijke en landschappelijke waarden binnen de gemeente. Het soortenonderzoek op basis van de ecostructuurmethode is een uitstekend instrument om de kansen en knelpunten met betrekking tot natuurwaarden, voor toekomstige ontwikkelingen in kaart te brengen. Dat geldt niet alleen voor het bestemmingsplan, maar ook voor een structuurvisie. Daarvoor is onderzoek volgens de ecostructuurmethode bijzonder effectief en daarbij kostenefficiënt.

Download hier het bijbehorende projectblad

< terug